Psalm 52
In deze vrij korte psalm voert de dichter een machtig man op die het kwade doet en propageert. Zijn tong is scherp als een scheermes en hij spreekt leugen en bedrog. Hij heeft het kwade lief meer dan het goede (3-6). Het is niet duidelijk wie de dichter hier voor ogen heeft. De psalm opent met de woorden dat de Edomiet Doëg naar koning Saul was gegaan om te vertellen dat David zich schuil hield in het huis van Achimelek. Deze geschiedenis -de vlucht van David - wordt beschreven in 1 Samuël 21 en 22. Is de machtige man of held hier Doëg of Saul? Omdat Achimelek, een priester, onderdak had verleend en David weer was gevlucht, beval Saul zijn dienaren niet allen Achimelek te doden, maar ook zijn hele familie.
Doch de dienaren wilden de priesters ( dienaren van God) niet doden en weigerden het bevel van Saul uit te voeren. Toen zei Saul tegen Doëg dat hij die taak dan maar op zich moest nemen; als niet Israëliet had hij daar blijkbaar geen moeite mee. Hij vermoorde niet alleen het gehele priestergeslacht (85 mensen), maar ook de inwoners van de stad Nob. Ziet de dichter nu Doëg als de kwade man als uitvoeder of koning Saul als opdrachtgever. Doëg als Edomiet ziet hier zijn kans schoon om Israël te treffen, maar Saul laat dit toe – verdedigt zijn volk niet tegen een vijand – maar geeft zelfs opdracht om priesters van God en andere onderdanen te doden. Maar de bewoordingen uit deze psalm geven toch een ander beeld dan de beschrijving van de geschiedenis. Heeft de eindredacteur gezocht naar iemand uit de geschiedenis waarop de dichter gedoeld zou hebben.
Na de uiteenzetting van de dichter in de eerste verzen geeft hij een vernietigend oordeel (7) over de machtige man; deze zal worden vernietigd, uit zijn tent gesleurd en gedood. En de rechtvaardigen zien het met vol ontzag aan en lachen hem uit en zeggen: zo vergaat het de held, die zijn kracht niet zoekt bij God, maar zich veilig waant in de grootheid van zijn rijkdom (8-9). De relatie tussen de eerste verzen en de rijkdom in vers 9 die de dichter hier legt, doet wat vreemd aan. In de eerste verzen gaat het immers over het doen van het kwade en de scherpe tong die bedrog spreekt en daarin komt de rijkdom niet voor, noch een suggestie in die richting.
In de slotverzen (‘10-11) komt de dichter bij zichzelf en ziet zich als een bloeiende olijfboom voor Gods aangezicht en weet zich altijd veilig in Gods nabijheid. En daarom zal hij Hemdanken voor alles wat de Heer voor hem deed en dat zal hij doen in de kring van diegenen die God liefhebben.
Er wordt in deze korte psalm heel veel naar voren gebracht dat – naar mijn indruk - niet op elkaar aansluit. Heeft de eindredacteur – in zijn ogen - belangrijke losse stukjes tekst bij elkaar gebracht om ze niet verloren te laten gaan?
Piet Beishuizen