Psalm 48
Deze psalm ademt een lofzang over God en over de berg Sion, daar waar hij woont. Daar opent de psalm mee in de eerste verzen. En daarom zijn de mensen die daar wonen ook veilig en beschermd. Na deze woorden komt in vers 3 een moeilijke tussenzin voor, namelijk de woorden over de berg in het noorden. In de NBV en de NB wordt vertaald: de Sionsberg met de flank(en) op het noorden; in de Statenvertaling staat: aan de zijden van het Noorden. Noorden met een hoofdletter; wil dat zeggen dat die berg ver weg ligt en dus niet de Sionsberg is? De NBG accentueert dat door te vertalen: ver in het Noorden.
In de GN vertaling lezen we: die machtige berg daar in het noorden. In een noot wordt geschreven dat de Sionsberg hier wordt vergeleken met een majestueuze berg ten noorden van het oude Ugarit, de godenberg van de Kanaänieten.
In de volgende verzen (4-6) brengt de dichter het strijdtoneel rond de Sionsberg naar voren. De koningen (de vijand) komen wel gezamenlijk ten strijde naar bij de berg, maar deinzen af bij het zien van de berg en nemen verbijsterd de vlucht. De angst van hen wordt omschreven als de krampen van een barende vrouw. Een omschrijving
die de profeet Jeremia ook gebruikt in de soortgelijke situaties, zoals de inwoners van Jeruzalem bij de belegering van de stad (Jeremia 6:24), de inwoners van Damascus (49:24) en de koning van Babel, wanneer God het oordeel over Babel afkondigt (50:43).
In vers 9 wordt vermeld dat de mensen nu meemaken wat hen is verteld (door de voorouders ?) dat God in de stad woont en daar voor eeuwig zal blijven.
Dan vervolgt de dichter met in een aantal verzen (10-12) te spreken over de goedheid van God. De manier waarop God zijn macht in dienst stelt van het heil van Israël en zijn volk redt van het geweld van de tegenstanders, en hij besluit met de woorden dat de Sion zich verheugt en de steden in Juda juichen. De aanduiding dat de steden
juichen komt alleen voor in de vertalingen van GN en NBV. De andere vertalingen o.a. S en NB schrijven hier dat Juda’s dochters juichen. Dat zou dan maar een deel
van de inwoners van de steden zijn. De dichter zal ongetwijfeld hiervoor een reden hebben gehad, maar welke? Dan richt de dichter zich weer tot de lezers (13-15). Trek maar eens rondom de Sion en tel de torens, bewonder de muren, kijk naar de vestingen en vertel dan aan het nageslacht: ‘Zo is God, onze God, nu en altijd, hij is het die ons leidt, voor eeuwig’ (NBV en GN). Dat leiden voor eeuwig zie ik als een doorgaand iets voor alle geslachten. In andere vertalingen S en NBG lees je dat God dat zal doen voor ons tot de dood toe. Dus niet in tegenspraak met de vorige. In W en NB staat dat God ons zal leiden tot over de dood. Moet ik hier lezen dat God ons zal helpen bij het sterven of is hij er ook na het sterven. Een gedachte die niet in overeenstemming is met de joodse leer of met de gedachte van de opstanding die later in de joodse leer kwam. Dus blijven deze laatste vertalingen wat vreemd voor mij.
Piet Beishuizen