De psalmen

Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen

Psalm 9

Deze psalm vormt met psalm 10 een alfabetisch gedicht. Psalm 10 zal ik volgende keer toelichten; nu psalm 9. Deze psalm geeft een wisselend beeld tussen de nood van de dichter - maar ook zijn lof komt naar voren – over het kwaad dat de vijanden ten toon spreiden en de vraag van de psalmist om hier iets aan te doen.
De dichter begint met te stellen dat hij God zal loven, de wonderen vertellen en de Naam zal bezingen. Dan een sneer naar de vijanden (4), die verloren zullen gaan. Vervolgens gaat het over de rechten van de dichter, die God – zittend op de troon - zou hebben verdedigd (5) om daarna weer terug te keren naar de vijanden die omgebracht zijn en voor eeuwig uit de herinnering zijn verdwenen.

In vers 8 keert de dichter weer terug naar de troon van God, waarop Hij recht zal spreken en de wereld zal richten en beoordelen. God zal een toevlucht zijn voor de onderdrukte, zeker in tijden van nood. Zij die God zoeken vinden veiligheid bij Hem, want God heeft de zoekende niet teleurgesteld. (11)
En dan gaat de dichter verder in vers 12 met de oproep om God lof toe te zingen om vervolgens weer te stellen dat God onschuldig bloed zal wreken en de schreeuw van de verdrukten niet zal vergeten. In het volgende vers (14) keert de dichter weer terug naar zichzelf en vraagt God hem genadig te zijn omdat hij wordt gekneld door zijn vijanden, opdat hij de roemrijke daden van God kan vertellen (15) in de poorten van Sion, om hiermee weer terug te keren tot wat hij in vers 12 heeft gezegd.

Dan wordt in het volgende verzen (16 – 18) nog eens duidelijk gemaakt dat God zich als rechter doet kennen en de volken die menen, zich in hun God vergeten leven, ook nog kuilen konden graven voor hun tegenstanders, zullen vergaan en terugkeren naar het dodenrijk. In de voorgaande verzen lijkt het steeds te gaan over de vijanden die de dichter bedreigen en in hem het volk Israël. In vers 19 wordt plotseling de arme ten tonele gevoerd, die niet zal worden vergeten en waarvoor hoop aanwezig blijft. Zijn dit maar een aantal mensen in Israël of moet hiervoor geheel Israël worden gelezen, wat zou kunnen blijken uit de NBV vertaling; daar wordt vertaald met ‘armen’. In het Hebreeuws wordt echter duidelijk de ‘arme’ genoemd en blijft de vraag staan, wat zou de dichter hier werkelijk bedoeld hebben.
In de laatste twee verzen wordt nog eens duidelijk de afstand tussen God en de mensen naar voren gebracht. Mensen hebben niet de macht, want die is aan God voorbehouden. En de dichter vraagt aan God, dat nog eens goed te laten weten aan de mens.

Piet Beishuizen

Psalm 24

De psalm bestaat uit drie strofen. Tegen de achtergrond van de schepping (vers 1 en 2, strofe 1) wordt in de 2e strofe de mens in relatie tot de Eeuwige getekend (vers 3-6) om af te sluiten in strofe 3 met het bezingen van de grootheid van God (vers 7-10). De psalm wordt wel in verband gebracht met de intocht van de ark van het verbond in de nieuw gebouwde tempel van Salomo.
Deze lokale gebeurtenis wordt in de eerste strofe (vers 1 en 2) afgezet tegen de kosmische grootheid van de schepping. De aarde en al wat daar op is behoort de Eeuwige; de grondlegger van de wereld.

In de tweede strofe (vers 3-6) wordt naar de mens gevraagd. In de optocht op weg naar de tempel bevragen de pelgrims elkaar wie hier mag zijn. En zij antwoorden elkaar: namelijk alleen zij die onschuldig van handen en zuiver van hart zijn. Het valt op dat eerst de handen worden genoemd (de daden ?) en dan het hart. En ook, niet ijdel is en geen valse eed zweert. Die mens zal de zegen van de Eeuwige dragen en de gerechtigheid van God tot zijn bevrijding. En dan komt de mensheid in beeld; het gehele geslacht van Jakob, dat God zoekt, krijgt die zegen.

In de derde strofe (vers 7-10) zal de ark de tempel worden binnengedragen en zingen de pelgrims ‘verhef poorten, uw bogen opdat de koning der ere naar binnen kan gaan’. Dit lied wordt twee maal gezongen en ook 2 keer wordt gevraagd ‘Wie is hij de koning der ere?’. En ook twee keer is het antwoord: ‘De Eeuwige, majesteitelijk, krachtig en strijdvaardig.
In deze psalm wordt een nauwe verbinding gelegd tussen God en de mensen. Zijn eer van de intocht wil Hij delen met de mensen. Vraag: heeft deze psalm model gestaan voor de evangelist voor het beschrijven van de intocht van Jezus in Jerusalem?

Piet Beishuizen

Psalm 111

Ook deze psalm, een Hebreeuws gedicht, is één van de psalmen die begint met de woorden ‘Eer aan de Heer!’ Het is een liturgische element dat kenmerkend is voor de 15 lofzangen in het psalmenboek. Soms aan het begin, soms aan het einde van de psalm. Ze worden gezongen op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd.
De dichter stelt zich op in de kring van de oprechten - de betrouwbare medemensen – om God te prijzen (1) .
In de volgende twee verzen wijst hij op de werken van God, de schepping, het onderhouden hiervan. Als je dat liefhebt ga je dat ook onderzoeken; wat dit alles betekent.

In de verzen 4-6 wordt de uittocht uit Egypte, de woestijnreis en de intocht in Kanaän beschreven. De wonderen die hij verrichtte in Egypte, het instellen van een gedenkdag, het Pesach feest (4). Het zorgen van het voedsel tijdens de woestijnreis en het sluiten van het verbond (5), en de intocht in het beloofde land (6).
In de verzen 7 en 8 keert de dichter terug naar de eerste verzen; opnieuw wordt Gods trouw en waarheid geroemd. Hij is nooit onbetrouwbaar en zijn geboden staan voor altijd vast.

In vers 9 herhaalt de psalmist de verzen 4 en 6. Hij brengt nogmaals de verlossing naar voren en het voor eeuwig gesloten verbond en besluit dit vers met de woorden, dat de Naam heilig is en te vrezen. Die vrees of het ontzag voor God is het begin van wijsheid; het is een weg tot een goed inzicht hoe te leven en hij besluit met de woorden dat de lof van God voor altijd zal blijven bestaan.

Piet Beishuizen

Psalm 44

In de eerste verzen (2-4) refereert de dichter aan het verleden; steeds is doorverteld dat God hen in het land (Kanaän) heeft gebracht, het land zeker heeft gesteld en de vijanden vernietigd heeft. Daarbij nog eens duidelijk aangegeven dat het God was en niet het eigen zwaard of eigen kracht dat de overwinning heeft gegeven (Jozua 24:12). Dit wordt met drie attributen van God gemeld, namelijk de rechterhand, de arm en het gelaat; dus altijd één meer dan je zelf denkt dat je hebt, namelijk de boog of het zwaard.

Psalm 20

Deze psalm wordt gevormd door drie concentrische cirkels. De buitenste cirkel wordt gevormd door de gemeenschap die zich biddend verzamelt rond haar koning (2-5 en 10).
De middelste cirkel wordt gevormd door de wij-groep, die zeker is van de bevrijding in de naam van Wezer en die de vreugde om deze bevrijding reeds smaakt (vers 6 en 8-9).
De binnenste cirkel wordt gevormd door een ik, dat zegt: ‘Nu voel ik: Wezer bevrijdt’ (vers 7).
Een ik in het hart van de gemeenschap is één met de bevrijdende werking van de Naam.
(Dit citaat is van Kees Waayman in het blad Interpretatie van maart 2003.)

Het is een psalm waarin het volk Israël, als het weer eens in nood verkeert, zich biddend schaart rondom zijn koning. De vijanden, de wereldmachten, mogen dan komen met hun strijdwagens en paarden, maar het zal hen niet helpen want zij zullen vallen. Maar zij, het volk, zal blijven staan, want zij vertrouwen op de NAAM, hun God; hij zal bevrijding schenken.
Deze tegenstelling komt op meer plaatsen voor in de Schrift. Maar dit zij/wij beeld moet wel worden gezien tegen de achtergrond van de vernietigingskracht die zij, de vijanden, ten toon spreiden tegen het volk van God. Dan vraagt het volk aan God, dat wilt u toch niet laten gebeuren? In deze psalm vertolkt de dichter dit in vers 7, wanneer hij aangeeft dat hij voelt, - in nauwe verbondenheid met de NAAM – dat God bevrijding zal geven.

Piet Beishuizen

Psalm 114

Ook deze psalm, evenals 113 die ik in de vorige 2-Klank heb toegelicht, is één van de zogenaamde lofpsalmen, die op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd werden gezongen.
In de eerste vier verzen van deze psalm wordt de uittocht uit Egypte (de zee vluchtte) en de intocht in het nieuwe land (de Jordaan trok zich terug) kort samengevat. De bronnen voor deze teksten komen uit de boeken Exodus, Deuteronomium en Jozua. Dit geldt niet voor ‘Juda, zijn heiligdom’. Refereert de dichter hier aan de stichting van de tempel in Jeruzalem, daar waar de stam Juda is gevestigd?

In vers 4 ligt verwantschap met psalm 29:6 waar wordt verteld dat de Libanon en de berg Hermon angstig opspringen.
De verzen 5 en 6 slaan weer terug op de verzen 3 en 4, maar nu in de vragende vorm met de woorden ‘waar waren jullie’; konden jullie iets doen om mijn volk tegen te houden als ik het begeleid? Daarom vervolgt de dichter in vers 7 met de woorden ‘beef aarde’ - waarin de zeeën en bergen zijn opgenomen – voor het aanschijn van God. En in vers 8 refereert de dichter nog eens aan de woestijnreis waar water uit de rots kwam. Dit vers vindt een overeenkomst met psalm 78:15 ‘in de woestijn spleet hij de rotsbodem open, het water stroomde er uit’. Deze lange psalm (78) staat geheel in het teken van de woestijnreis.

Piet Beishuizen

Psalm 113

De psalm begint met het Halleluja, een liturgisch element dat kenmerkend is voor de vijftien zogenaamde Halleluja psalmen, die op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd werden gezongen. Deze psalm heeft ook model gestaan voor de tekst uit Lucas 1 waarin Maria haar lofzang zingt.

Psalm 128

Deze psalm – een pelgrimslied -ademt een diepe relatie tussen God en de mens, die ontzag heeft voor de ENE, de wetten volgt en een gelukkig leven leeft met vrouw en kinderen. Maar hoe zit het nu met de man die schroom heeft, eerbied heeft voor God en aan wie die welzaligheid niet ten deel valt. Dit blijft als een hinderlijk iets op de achtergrond bij het lezen van de psalm.
Binnen de verzen 1 en 4, waarin over de mens wordt gesproken, die eerbied heeft voor God (vers 1) en wat hem ten deel valt (vers 4), worden in de verzen 2 en 3 de opbrengsten voor jou vermeld. De dichter gaat van het algemene over naar het bijzondere; ik hoor van hem dat het gaat over mijn geluk. Als eerste wordt genoemd het werken om eten voor het gezin op de tafel te krijgen (vers 2). Dan volgt de passage over je vrouw en de kinderen, die zij heeft gebaard. Olijfscheuten als beeld van rijkdom en vruchtbaarheid.
De dichter sluit dit beeld af met de zegen van God vanaf de berg Sion. Hij maakt nog mee dat het Jeruzalem goed gaat en dat hij zijn kleinkinderen ziet opgroeien.
Tot slot is er de bede voor vrede over Israël.

Piet Beishuizen

Psalm 34

Psalm 34 is een alfabetisch lied, d.w.z. de verzen beginnen met een letter van het Hebreeuwse alfabet. De psalm is een bloemlezing van spreuken en bekende formuleringen.
Beurtelings is de dichter over zichzelf aan het woord (verzen 2-5, 7), dan weer over de ander(en) (verzen 4, 6, 8-9, 16-23) en over zijn toehoorders (verzen 10-15).

Psalm 92

In dit lied, dat op de sabbat wordt gezongen, wordt de grootheid van God naar voren gebracht; niet alleen in het gezang, maar ook in het spelen op verschillende muziekinstrumenten. De dichter komt haast woorden tekort om dit onder woorden te brengen, hij jubelt en is verheugd. Dit eindigt in vers 6 met de woorden dat Gods daden groot zijn en Zijn gedachten diep. Het eerste komt veelvuldig voor in de Schrift, het tweede heb ik niet ergens anders kunnen vinden. Wat of hoe moet ik Gods gedachten begrijpen? Ben ik dan gelijk aan de man van vers 7 ‘een redeloos man heeft daar geen weet van en een stommerik verstaat dit niet‘ volgens de dichter in de NB vertaling. De vertaling in GN gaat ook die richting uit.